Het is meer dan symbolisch, de eerste rechtstreekse vlucht van Lufthansa op de Angolese hoofdstad. Vanaf nu vliegt er iedere week een toestel van Frankfurt am Main, het Europese financiële centrum, naar Luanda. Gistermiddag werd de eerste vlucht met veel champagne en ambassadeurspubliek ten doop gehouden in een luxe-restaurant aan het Luandese strand –
fotografe Caro Bonink en ik voelden ons op de cocktailparty haast society-journalisten. De booming economie van Angola is ook in Europa niet onopgemerkt gebleven en menig zakenmens staat te popelen een graantje mee te pikken. Daardoor zijn het nu eens de Angolezen die het voor het zeggen hebben. De Duitsers zouden maar wat graag drie keer per week op de nieuwe bestemming vliegen, maar de Angolese overheid houdt de boot vooralsnog af. Met zijn mineralenrijkdom (een gigantische olievoorraad die in Afrika alleen onderdoet voor de Nigeriaanse hoeveelheid) heeft Angola zijn buitenlandse partners voor het kiezen.
Vier paar zwarte benen bungelen uit onder de halfopen achterklep, vastgestrikt met een touwtje. Uit het rafelig uitgezaagde gat in de zijwand van het minibusje steken twee passagiershoofden. Ik heb alle tijd deze typisch Congolese vorm van openbaar vervoer van dichtbij te bekijken, want het verkeer staat muurvast, zoals altijd in Kinshasa op een zaterdagavond. Zeven miljoen mensen wonen in de overbevolkte Congolese stad, ooit gebouwd voor enkele tienduizenden inwoners. Het is november 2006. Terwijl ik mij verbaas over de schijnbare chaos in zo'n miljoenenstad die ondanks alles functioneert, ontstaat het idee voor mijn nieuwe
boek over urbanisering in Afrika. De komende anderhalf jaar ga ik wonen in
zes verschillende Afrikaanse steden, te beginnen met Luanda, de Angolese hoofdstad waar ik een paar dagen geleden aankwam. Het wordingsproces van mijn stedenboek kun je op de voet volgen bij
nrc.next.